4. Installatie
Waarschuwing
Dit product moet worden geïnstalleerd door een gekwalificeerde elektricien.
Zorg er tijdens de installatie voor dat de externe connector met draadbrug is verwijderd (of schakel de aan/uit afstandbediening uit, indien geïnstalleerd) om er zeker van te zijn dat de omvormer niet onverwachts kan worden geactiveerd.
4.1. Fysieke installatie
Raadpleeg de Bijlage van deze handleiding voor een maatschets van de omvormer.
4.1.1. Locatie
Om een probleemloze werking van de omvormer te garanderen, moet deze worden gebruikt op locaties die aan de volgende vereisten voldoen:
Vermijd elk contact met water. Stel de omvormer niet bloot aan regen of vocht.
Installeer de omvormer in een droge en goed geventileerde ruimte.
Voor de beste operationele resultaten moet de omvormer op een vlakke ondergrond worden gemonteerd.
Monteer zo dicht mogelijk bij de accu's. Probeer de afstand tussen het product en de accu tot een minimum te beperken om spanningsverliezen in de kabel tot een minimum te beperken.
Voor de koeling moet er een vrije ruimte van minimaal 10 cm rondom het apparaat zijn. Zorg ervoor dat de luchtstroom rondom de omvormer niet geblokkeerd wordt. Als de omvormer te warm wordt, wordt de omvormer uitgeschakeld. Als de omvormer een veilige temperatuur bereikt, dan zal de omvormer automatisch opnieuw opstarten.
Plaats het apparaat niet in direct zonlicht. De omgevingstemperatuur moet tussen -20 °C en 40 °C zijn (vochtigheid <95 % niet condenserend). Houd er rekening mee dat in extreme situaties de temperatuur van de omvormer behuizing meer dan 70 °C kan zijn.
Waarschuwing
Een te hoge omgevingstemperatuur resulteert in een kortere levensduur, verminderd piekvermogen. Het kan er ook toe leiden dat de omvormer uitgeschakeld wordt.
Monteer de omvormer nooit direct boven de accu's.
Voor veiligheidsdoeleinden moet dit product worden geïnstalleerd in een hittebestendige omgeving als het gebruikt zal worden met apparatuur waar een aanzienlijke hoeveelheid vermogen moet worden omgezet. Er moet voorkomen worden dat bijv. chemicaliën, kunststof onderdelen, gordijnen of ander textiel items enz. in de directe omgeving aanwezig zijn.
4.1.2. Montage
Monteer de omvormer aan een stevige muur of horizontaal op een geschikte ondergrond.
Monteer de omvormer met vier schroeven verticaal omhoog of omlaag of horizontaal omhoog of omlaag. Raadpleeg de onderstaande tabel en afbeelding voor de beste montage opties.
Montage instructies.
# | Montagetype | Aanbevolen? | IP Waarde: | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
1 | Plafondmontage (omgekeerd). | Nee | nvt | |
2 | Grondmontage | Ja | IP21 | |
3 | Verticale wandmontage, ventilator aan de onderkant. | Ja | IP20 | Houd er rekening mee dat kleine voorwerpen of stof mogelijk via de ventilatieopeningen aan de bovenzijde van de omvormer in de omvormer behuizing kunnen vallen. |
4 | Verticale wandmontage, ventilator aan de bovenkant. | Nee | nvt | |
5 | Horizontale wandmontage. | Ja | IP20 |
4.2. Elektrische installatie
Zie bijlage Overzicht aansluitingen voor een overzichtstekening voor het aansluiten van de omvormer.
4.2.1. Aansluiten AC uitgang
De omvormer is uitgerust met een van de volgende AC uitgangen, afhankelijk van het omvormermodel:
Schuko (CEE 7/4).
IEC-320 (mannelijke contactstop inbegrepen).
VK (BS 1363).
AU/NZ (AS/NZS 3112).
Raadpleeg bijlage AC uitgang voor een foto van het type AC uitgang.
In de omvormer is geen zekering in de AC uitgang aanwezig. De AC bekabeling wordt beschermd door een snel werkende stroombegrenzer in geval van kortsluiting, en een mechanisme voor het detecteren van overbelasting dat de kenmerken van een zekering nabootst (d.w.z. snellere uitschakeling bij grotere overbelasting). Het is belangrijk om de bedrading op de juiste manier te dimensioneren, op basis van het vermogen van de omvormer.
Sluit de AC uitgang van de omvormer nooit aan op een andere AC bron, zoals een huishoudelijk stopcontact of een aggregaat.
Waarschuwing
De omvormer beschikt over zwevende aarding. Om een goede werking van een aardlekschakelaar (of RCCB, RCB of RCD) te waarborgen, geïnstalleerd in het AC uitgangscircuit van de omvormer, moet een interne of externe nulleider naar aardverbinding worden gemaakt. Raadpleeg bijlage Installatie informatie nul naar aardverbinding voor meer informatie.
4.2.2. Chassis naar aardeverbinding
Draaddikte voor het geaard aansluiten van de behuizing van de omvormer:
De aardgeleider van de geaarde kabelschoen op de behuizing moet ten minste de helft van de kernoppervlakte hebben van de geleiders die voor de accu aansluiting worden gebruikt.
De maximale geleidermaat die op de geaarde kabelschoen past, is:25 mm². Gebruik de onderstaande tabel om de juiste kernoppervlakte voor de aardgeleider te vinden.
De AC uitgang is geïsoleerd van de DC ingang en de behuizing .Lokale regelgeving kan een echte nulleider vereisen. Raadpleeg bijlage Installatie informatie nul naar aardverbinding voor instructies.
4.2.3. Remote aansluiting
Het op afstand aan/uitzetten van de omvormer kan worden gerealiseerd met een eenvoudige aan/uit schakelaar die is aangesloten op de remote aansluiting van de omvormer.
De omvormer zal geactiveerd worden als deze zich in de ON- of ECO modus bevindt en indien:
Er is contact gemaakt tussen de externe H (links) aansluitklem en L (rechts) aansluitklem, bijvoorbeeld met een draadbrug, een schakelaar of het bedieningspaneel van de omvormer.
Er is contact gemaakt tussen de externe H (links) aansluitklem en de accu positief.
Er is contact gemaakt tussen de externe L (rechts) aansluitklem en de accu negatief.
Enkele gebruiksvoorbeelden van de remote aansluiting zijn:
Als de omvormer zich in een voertuig bevindt en alleen mag functioneren als de motor draait. Sluit de externe H (rechts) aansluitklem aan op de contactschakelaar van het voertuig.
Als de omvormer is aangesloten op een lithium accu, kan de omvormer worden bestuurd door het BMS van de lithium accu.
Waarschuwing
Om veiligheidsredenen kan de omvormer volledig worden uitgeschakeld door de remote aansluiting te verwijderen. Doe dit door de remote connector uit de aansluiting te trekken. Dit zorgt ervoor dat de omvormer niet meer kan worden ingeschakeld met behulp van de schakelaar of met Bluetooth. De gebruiker kan er nu zeker van zijn dat de omvormer definitief is uitgeschakeld en dat de omvormer niet per ongeluk kan worden geactiveerd door een andere gebruiker.
Bedieningspaneel van de omvormer
Als een Inverter Control VE.Direct paneel gebruikt wordt, moet het worden aangesloten op de remote aansluiting van de omvormer, zoals wordt aangegeven in de onderstaande afbeelding. Houd er rekening mee dat de aansluiting polariteitsafhankelijk is voor een juiste werking.

4.2.4. VE.Direct verbinding
De VE.Direct verbinding kan gebruikt worden voor de bewaking van de omvormer met een GX apparaat, of om verbinding te maken met de VictronConnect app.
De volgende apparaten kunnen worden aangesloten:
Een GX apparaat of GlobalLink 520 met behulp van een VE.Direct kabel.
Een GX apparaat met behulp van een VE.Direct naar USB interface.
Een computer waarop de VictronConnect app wordt uitgevoerd met behulp van een VE.Direct naar USB interface.
Een telefoon of tablet waarop de VictronConnect app wordt uitgevoerd met behulp van een VE.Direct Bluetooth Smart dongle.